Het VBO vroeg 25 sleutelfiguren uit ondernemend en politiek België naar de impact van 25 scharniermomenten in onze economische geschiedenis. Voormalig federaal minister van Financiën, Johan Van Overtveldt, zoomt in op de hervorming van de vennootschapsbelasting.

Tekst

De bedrijfsbelasting in België is weer opgeschoven naar de Europese middenmoot. We spelen weer mee, bevestigt Johan Van Overtveldt. Als voormalig minister van Financiën in de regering-Michel was hij de gangmaker van de belastinghervorming.

Bij de totstandkoming van de federale regering-Michel in 2014 was er geen plan voor een hervorming van de vennootschapsbelasting of een tariefverlaging (lees ook de getuigenis van voormalig minister van Financiën, Didier Reynders). Vandaag is het tarief van 33,99% – het op één na hoogste in Europa – ingeruild voor een veel lager tarief van 25%, en is er een grondige aanpassing doorgevoerd van de fiscale spelregels voor bedrijven. 

Tekst

Ontwijkconstructies

De Europese Commissie maakte België begin 2015 duidelijk dat er maatregelen op komst waren om de praktijken van belastingontwijking van grote ondernemingen aan te pakken. Die zogenaamde ATAD-regeling (Anti-Tax Avoidance Directive) is er midden 2016 ook gekomen, met richtlijnen om in alle lidstaten tot een grotere fiscale transparantie te komen en een gelijk speelveld te creëren inzake vennootschapsbelasting. 

De oranje knipperlichten sprongen op rood toen EU-commissaris Margrethe Vestager aankondigde dat de Belgische ‘excess profit ruling’ zou worden beschouwd als onrechtmatige staatssteun aan bedrijven. Die excess profit ruling was het koninginnenstuk van de Belgische belastingaanpak op vennootschappen. Men vertrok van een heel hoog nominaal tarief van 33,99%, met vervolgens een pak uitzonderingen, kortingen en verlagingen à la tête du client, per sector of subsector of zelfs op maat van individuele bedrijven, waardoor die in de praktijk slechts 20% of soms maar 10% betaalden.

Tegelijkertijd leefde in heel wat Europese lidstaten een trend om het tarief van de bedrijfsbelastingen te verlagen. Achteraf bekeken zijn lang niet alle plannen en aankondigingen werkelijkheid geworden. Maar de druk om mee te doen met de internationale trend was groot. Hierdoor groeide het politieke draagvlak om het Belgische tarief te verlagen en België als investeringsland voor buitenlandse bedrijven aantrekkelijker te maken.

Items
Afbeelding
Johan Van Overtveldt
Beschrijving
©belga
Quote

De tariefverlaging ging gepaard met de afschaffing van de meeste aftrekposten en de invoering van een minimumbelasting.

Auteur
JOHAN VAN OVERTVELDT, VOORMALIG FEDERAAL MINISTER VAN FINANCIËN
Type
As List
Tekst

Positief maar kritisch

In het voorjaar van 2016 pakte ik uit met mijn hervormingsvoorstel dat meteen positieve reacties kreeg van werkgeverskringen – het VBO op kop. Tegelijk stelde het VBO ook kritische vragen over de impact op de notionele interestaftrek. De werkgevers konden gerust zijn: van een afschaffing was geen sprake – het VBO bleef benadrukken dat er een evenwicht moet zijn in de fiscale behandeling van vreemd vermogen en eigen vermogen. De oplossing lag in de invoering van een incrementele notionele interestaftrek, dus niet langer op het volledige vermogen, maar op de aangroei ervan. De aanhoudend lage rentestand maakte de ingreep verteerbaar voor de betrokken bedrijven.

Politiek groen licht kwam er uiteindelijk in de herfst van 2017. De inhoud en omvang van de hervorming werden door het VBO als historisch omschreven. Want er was niet alleen de verlaging van het tarief van 33,99% naar 29% in 2018 en vervolgens naar 25% in 2020. Voor kmo’s was er zelfs op de eerste 100.000 euro winst een bijkomende verlaging naar 20%. Voorts werd de fiscale consolidatie van dochterbedrijven ingevoerd. 

De tariefverlaging ging ten slotte gepaard met de afschaffing van de meeste aftrekposten en de invoering van een minimumbelasting. 

0