Het VBO vroeg 25 sleutelfiguren uit ondernemend en politiek België naar de impact van 25 scharniermomenten in onze economische geschiedenis. Voormalig minister van Financiën, Didier Reynders, zoomt in op de hervorming van de vennootschapsbelasting.

Items
Afbeelding
Didier Reynders
Beschrijving
©belga
Type
As List
Quote

Zelfs na de verlaging van de vennootschapsbelasting tot 34%, zat België nog een stuk boven het Europese gemiddelde (28%). 

Auteur
DIDIER REYNDERS, VOORMALIG MINISTER VAN FINANCIËN
Tekst

De hervorming van de vennootschapsbelasting in 2002 liet de Belgische belastingtarieven opnieuw aansluiting vinden bij het Europese peloton. Dat was absoluut nodig om onze concurrentiekracht binnen de Europese Unie weer op peil te krijgen. 

In 1999 kwam paars-groen aan de macht, een regering van liberalen, socialisten en groenen. Een grondige hervorming van de personenbelasting moest een van de fiscale paradepaardjes van de nieuwe coalitie worden. Het doel? De lasten op arbeid fors terugschroeven.

De tweede fiscale pijler in de hervormingen van de regering-Verhofstadt I betrof de vennootschapsbelasting (VenB). Aangezien het vennootschapsbelastingtarief in België met 40,17% aanzienlijk hoger lag dan dat van onze buren, was die hervorming essentieel.

In de eerste jaren van het nieuwe millennium was het politieke bestel zich nog niet echt bewust van het gigantische competitiviteitsprobleem van België binnen de Europese Unie. Overal in Europa ging de vennootschapsbelasting naar beneden, België kon niet achterblijven. De hamvraag was: hoe? Het antwoord: door de belastbare basis te verhogen en de tarieven te verlagen. 

Zelfs na die tariefverlaging zaten we nog steeds op 34%, terwijl het Europese gemiddelde 28% bedroeg. België had het gat dus niet dichtgereden. En ondanks de jongste hervorming van de aanslagvoet voor de vennootschapsbelasting, gaapt de kloof ook vandaag nog. 

Items
Afbeelding
houten stokjes die steeds kleiner worden en met het percentage-symbool op elk stokje en een pijl die naar beneden gaat
Beschrijving
©shutterstock
Type
As List
Tekst

Een te bestraffend fiscaal stelsel

De eerste grondige hervorming van de vennootschapsbelasting sinds 1962, het jaar waarin ze werd ingevoerd, voorzag erin om de nominale aanslagvoet terug te schroeven tot 33,99%. Kmo's konden bovendien rekenen op een speciale regeling: als hun belastbare winst niet hoger lag dan 25.000 euro, moesten ze slechts 24,98% betalen. 

Een ander aspect van de hervorming was een herziening van het rulingsysteem, dat ondernemingen en natuurlijke personen de mogelijkheid gaf om – bij investeringen, de oprichting van een vennootschap, een fusie van vennootschappen – een akkoord met de fiscus te sluiten dat hun fiscale toestand gedurende minstens vijf jaar zou waarborgen. Het akkoord met de fiscus koppelt alle belastingtarieven en slaat op zowel de toepassing van de Belgische wetgeving als op de geldende internationale akkoorden en de Europese wetgeving.

De kostprijs van de hervorming werd geraamd op 1,195 miljard euro, gecompenseerd via een reeks maatregelen. De regering opteerde voor een roerende voorheffing van 10% op de liquidatieboni wanneer een vennootschap eigen aandelen inkoopt, of bij een gehele of gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen. Ook de toepassingsvoorwaarden voor de aftrek van de definitief belaste inkomsten werden gewijzigd.

De compensatiemaatregelen werden in het bedrijfsleven niet overal op gejuich onthaald. Idem voor de verstrenging van de afschrijvingsregels voor grote ondernemingen, die maakte dat de aftrek enkel nog gold voor de daadwerkelijke gebruiksperiode. Globaal genomen vond het VBO dat de hervorming een positief signaal gaf aan ondernemers in het algemeen en aan de kmo's in het bijzonder, al zorgde de vereiste begrotingsneutraliteit wel voor de nodige ongerustheid.

0